In het regeerakkoord werd een brede reeks fiscale hervormingen aangekondigd. Verschillende van deze aangekondigde maatregelen hebben hun vertaalslag naar wetgevend werk gekregen in de Wet diverse bepalingen van (nog niet goedgekeurd op moment van publicatie). In deze bijdrage worden een aantal van die bepalingen, die specifiek betrekking hebben op de personenbelasting, nader toegelicht.
HYBRIDE WAGENS
De wet van 25 november 2021 betreffende de fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit (BS 3 december 2021) voorziet in een geleidelijke afbouw van de fiscale aftrekbaarheid voor hybride voertuigen, net zoals voor andere niet-elektrische wagens.
In het regeerakkoord van 2025 werd echter erkend dat de overstap naar een volledig elektrisch wagenpark in de praktijk niet haalbaar is. Niet iedereen beschikt over de mogelijkheid om thuis een laadpunt te installeren of heeft toegang tot publieke laadinfrastructuur. Onder meer in stedelijke gebieden, waar veel mensen in appartementsgebouwen wonen zonder privéparkeerplaats, vormt dit een reëel knelpunt.
Om die reden achtte de wetgever het aangewezen om het gunstige fiscale regime voor hybride wagens te verlengen. Oorspronkelijk was het de intentie om deze versoepeling toe te passen binnen zowel de personenbelasting als de vennootschapsbelasting. In de uiteindelijke wetgeving werd echter beslist om de maatregel uitsluitend te laten gelden in de personenbelasting. Opmerkelijk is dat deze keuze niet wordt gemotiveerd in de voorbereidende werkzaamheden.
Op grond van de nieuwe regeling (art. 66, §1/1 WIB92) worden – enkel binnen de personenbelasting (art. 198bis WIB92) – kosten gerelateerd aan hybride wagens met ingang van 1 januari 2026 in drie categorieën onderverdeeld:
- elektriciteitskosten
- benzine- of dieselkosten
- overige kosten
(waaronder leasingvergoedingen / afschrijvingen, verzekeringspremies en parkeerkosten).
Voor elk van deze categorieën gelden specifieke aftrekregels.
1. Elektriciteitskosten (art. 66, §1/1, lid 1, a WIB92)
Voor wat betreft de elektriciteitskosten, geldt de regel dat de aftrek gebeurt tegen het geldende aftrekpercentage voor wagens zonder CO2-uitstoot (zoals bedoeld in het corresponderende art. 66, §1 WIB92). Dit betekent dat de aftrek start met een vast percentage van 100%, maar over de jaren heen afgebouwd wordt voor wagens aangeschaft vanaf 2027. Het gaat meer bepaald om een aftrek van:
- 95% voor wagens aangeschaft in 2027
- 90% voor wagens aangeschaft in 2028
- 82,5% voor wagens aangeschaft in 2029
- 75% voor wagens aangeschaft in 2030
- 67,5% voor wagens aangeschaft vanaf 2031.
2. Benzine- of dieselkosten (art. 66, §1/1, lid 1 WIB92)
Vanaf 1 januari 2026 zullen brandstofkosten niet meer aftrekbaar zijn als beroepskosten; dit ongeacht de datum van de aanschaf van het voertuig.
Merk op dat deze regel afwijkt van het voorontwerp van de wet diverse bepalingen, dat nog een aftrekbaarheid – tegen een vast percentage van 50% – beoogde voor diesel- en benzinekosten, voor zover zij vóór 1 januari 2028 zouden worden gemaakt (Parl. St. Kamer 2024-2025, nr. 56-096/001, p. 76).
3. Overige kosten (waaronder leasevergoedingen/afschrijvingen, verzekeringspremies en parkeerkosten) (art. 66, §1/1, lid 1, b WIB92)
De aftrek van deze categorie van kosten gebeurt op grond van de formule
120% – (0,5% x aantal gram CO2 per kilometer)
Het gaat hierbij om de formule die op heden reeds gehanteerd wordt voor het bepalen van het aftrekpercentage van autokosten, maar dan zonder toepassing van de (brandstof)coëfficiënt, die 0,95 bedraagt voor hybride wagens.
Net als onder de eerder geldende regeling, moet de CO2-uitstoot van een valse hybride (aangeschaft vanaf 1 januari 2018) worden gelijkgesteld met de CO2-uitstoot van het overeenstemmend voertuig dat uitsluitend voorzien is van een motor die gebruikmaakt van dezelfde brandstof, of moet die uitstoot – bij ontstentenis van dergelijk voertuig – vermenigvuldigd worden met 2,5.
Indien de wagen werd aangeschaft vóór 1 januari 2028, wordt het aldus berekende percentage begrensd op 75%, tenzij het voertuig maximum 50 gram CO2 per kilometer uitstoot, in welk geval het berekende percentage wordt gelimiteerd op het aftrekpercentage voor wagens die geen CO2 uitstoten (dus 100% voor wagens aangeschaft vóór 2026 en 95% voor wagens aangeschaft in 2027).
Het aftrekpercentage wordt vervolgens gradueel afgebouwd, tot 0%. Meer bepaald stelt de wet dat het aftrekpercentage wordt begrensd op:
- 65% voor voertuigen aangeschaft in 2028
- 57,5% voor voertuigen aangeschaft in 2029
- 0% voor voertuigen aangeschaft vanaf 2030.
De wet diverse bepalingen houdt voorts rekening met de introductie van de nieuwe Euro 6e-bis (FCM) norm. Momenteel wordt een zogenoemde valse hybride omschreven als een oplaadbaar hybride voertuig, aangekocht vanaf 1 januari 2018, waarvan de elektrische batterij een energiecapaciteit heeft van minder dan 0,5 kWh per 100 kg wagengewicht of waarvan de CO₂-uitstoot hoger is dan 50 g per kilometer. Aangezien de toepassing van strengere testprocedures onder de Euro 6e-bis (FCM) norm naar verwachting zal leiden tot een significante stijging van de gemeten CO₂-uitstoot, wordt in de definitie van een valse hybride de drempel van 50 g CO₂ per kilometer verhoogd naar 75 g CO₂ per kilometer. Deze aangepaste grens geldt – met ingang van 1 januari 2025 – voor voertuigen waarvan de uitstoot wordt berekend volgens de Euro 6e-bis-norm of een latere norm.
VASTGOEDFISCALITEIT
Op basis van de federale fiscale regelgeving kunnen interesten op leningen die specifiek zijn aangegaan voor de verwerving of het behoud van onroerend goed – met uitzondering van de eigen woning (waarvoor de gewesten bevoegd zijn) – in mindering worden gebracht van het onroerend inkomen. Zo kunnen bijvoorbeeld de interesten op een lening voor de aankoop van een tweede verblijf of een opbrengsteigendom de belastbare basis, voortvloeiend uit het bezit van dat onroerend goed, verlagen (art. 14, lid 1, 1° WIB92).
Deze federale interestaftrek wordt echter afgeschaft met ingang van aanslagjaar 2026. Om budgettaire redenen is er geen overgangsregeling voorzien: de aftrek verdwijnt zowel voor nieuwe als voor bestaande leningen. Dit heeft duidelijke negatieve gevolgen voor belastingplichtigen die dergelijke leningen zijn aangegaan; dit is in het bijzonder een streep door de rekening voor wie de rendementsverwachtingen expliciet op deze fiscale aftrek heeft gegrond.
De wetgever maakt voorts gebruik van de gelegenheid om een aantal reeds uitdovende overgangsmaatregelen – die in het verleden wél werden geïntroduceerd bij nadelige wetswijzigingen – op te heffen met ingang van aanslagjaar 2026. Dit draagt bij aan de vereenvoudiging van de vastgoedfiscaliteit binnen de personenbelasting. Het betreft onder meer de opheffing van de bijkomende interestaftrek (de zgn. bijkomende vermindering voor interesten, als bedoeld in art. 526, §1 WIB92).
Ook de federale woonbonus (art. 539 WIB92) en het federale bouwsparen (art. 526, §2 WIB92) gaan met ingang van aanslagjaar 2026 op de schop. Voor dergelijke leningen zal voortaan het stelsel van het langetermijnsparen van toepassing zijn, waarmee de wetgever de fiscale behandeling van de vastgoedfiscaliteit uniformeert.
Daarnaast wordt ook de belastingvermindering voor interesten op groene leningen afgeschaft vanaf aanslagjaar 2026. Deze maatregel betrof leningen aangegaan tussen 1 januari 2009 en 31 december 2011 voor energiebesparende investeringen (art. 145/24, §3 WIB92). Aangezien hiermee de volledige Onderafdeling 2quinquies – Vermindering voor energiebesparende uitgaven in een woning zonder voorwerp wordt, wordt deze onderafdeling integraal uit het WIB92 geschrapt. De intrestbonificatie van 1,5% op dergelijke groene leningen blijft wel behouden (art. 2 van de Economische Herstelwet van 29 maart 2009, BS 7 april 2010).
Tot slot verdwijnt ook de overgangsregeling voor de vermindering voor energiezuinige woningen (art. 535 WIB92). Deze regeling gold voor belastingplichtigen die zich vóór 1 januari 2012 contractueel hadden verbonden tot de bouw of aankoop in nieuwe staat van een energiezuinige woning, of tot het verbouwen van een woning tot een energiezuinige woning. Aangezien de toepassing van deze maatregel sowieso beperkt was tot tien aanslagjaren, is de impact van de schrapping vandaag beperkt.
ONDERHOUDSGELDEN
Onder de voorheen geldende fiscale regeling, waren onderhoudsuitkeringen die binnen het wettelijk kader worden betaald, voor 80% aftrekbaar van het belastbaar inkomen van de onderhoudsplichtige. Aan de zijde van de onderhoudsgerechtigde waren deze uitkeringen, onder dezelfde voorwaarden, voor 80% belastbaar.
In de praktijk leidt deze regeling echter tot een asymmetrisch effect in de personenbelasting. Aangezien het inkomen van de onderhoudsplichtige principieel hoger ligt dan dat van de onderhoudsgerechtigde, geniet de onderhoudsplichtige (doorgaans) een aftrek tegen een hoger marginaal tarief dan het tarief waartegen de uitkering wordt belast in hoofde van de onderhoudsgerechtigde. Wanneer het onderhoudsgeld aan een kind wordt uitgekeerd, blijft dit bedrag bovendien vaak onder de belastingvrije som, waardoor het in de praktijk vaak volledig onbelast blijft.
Omwille van deze fiscale scheeftrekking en het als onrechtvaardig ervaren onderscheid met samenwonende ouders, die geen fiscale aftrek kunnen genieten voor de kosten die zij voor hun kinderen maken, wordt de aftrekbaarheid van onderhoudsuitkeringen gradueel verminderd van 80% naar 50% (gewijzigd art. 104, 1° en 2° WIB92). Deze aanpassing verloopt in verschillende fases:
- voor uitkeringen betaald in 2025 wordt het aftrekpercentage beperkt tot 70% (behoudens wanneer het belastbaar tijdperk van de onderhoudsgerechtigde eindigt vóór 31 december 2025, bijvoorbeeld door emigratie)
- in 2026 daalt dit percentage verder naar 60%
- vanaf 2027 geldt het definitieve aftrekpercentage van 50%.
Parallel aan de aftrekbeperking wordt ook het belastbare deel van de onderhoudsuitkering in hoofde van de onderhoudsgerechtigde gradueel geplafonneerd op 50% (gewijzigd artikel 99 WIB92).
Om budgettaire redenen wordt deze aanpassing zonder overgangsregeling ingevoerd en geldt ze dus ook voor onderhoudsuitkeringen die reeds vóór de wetswijziging (contractueel) werden vastgelegd. Dit zal de werkelijke kostprijs van de uitkeringen verhogen voor de onderhoudsplichtige, zonder dat de onderhoudsgerechtigde hiervan een nadeel ondervindt. Verwacht wordt dat dit aanleiding zal geven tot discussies over de omvang van uitkeringen, die gebaseerd werden op een verouderd fiscaal kader.
Daarnaast wordt de aftrekbaarheid volledig uitgesloten voor onderhoudsuitkeringen die worden betaald of toegekend aan personen die geen inwoner zijn van een lidstaat van de EER of van Zwitserland (gewijzigd art. 104, 1° WIB92). Deze uitsluiting geldt eveneens vanaf inkomstenjaar 2025, op voorwaarde dat het belastbaar tijdperk in hoofde van de onderhoudsplichtige eindigt na de laatste dag van de maand waarin de wet wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. In samenhang daarmee worden deze uitkeringen ook uitgesloten van belastingheffing in de belasting der niet-inwoners (gewijzigd art.228, §2, 9°, c WIB92).
Ten slotte moet worden opgemerkt dat bepaalde onderhoudsuitkeringen aan niet-inwoners onderworpen zijn aan bedrijfsvoorheffing (art. 271 WIB92 en art. 87, 4° KB/WIB92). In situaties waarin bedrijfsvoorheffing werd ingehouden op uitkeringen die ingevolge de nieuwe bepalingen niet langer onderworpen zijn aan deze heffing, kan de ten onrechte ingehouden voorheffing worden teruggevraagd. Dit geldt ook wanneer de voorheffing werd toegepast tegen een te hoog tarief, gelet op de gewijzigde percentages.
FLEXIJOBS
De regeling inzake flexi-jobs, zoals bedoeld in artikel 38, §1, lid 1, 29° WIB92, beoogt het “wit maken” van sectoren waarin traditioneel veel zwartwerk voorkomt, zoals onder meer de horecasector. In dat kader voorziet de wet in een belastingvrijstelling voor het zogenaamde flexiloon en flexivakantiegeld, ten belope van een bedrag van 12.000 euro per belastbaar tijdperk. Dit bedrag is niet aan indexatie onderworpen. Voor gepensioneerden geldt deze grens niet: zij kunnen onbeperkt genieten van belastingvrije flexi-inkomsten.
Om in aanmerking te komen voor deze vrijstelling, moeten een aantal voorwaarden worden vervuld. Zo moeten zowel de werknemer als de werkgever ressorteren onder een paritair comité zoals bepaald in artikel 2 van de Wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken (BS 26 november 2025). Daarnaast moet de werknemer in het derde kwartaal voorafgaand aan de tewerkstelling (T–3) reeds een substantiële arbeidsprestatie leveren bij een of meerdere andere werkgevers. Concreet moet het gaan om een tewerkstelling die minstens overeenkomt met 4/5 van een voltijdse betrekking binnen de betreffende sector (artikel 4, §1 van de Wet van 16 november 2015). Deze tewerkstellingsvoorwaarde geldt evenwel niet voor werknemers die tijdens het referentiekwartaal T–2 reeds gepensioneerd zijn (artikel 4, §3 van de Wet van 16 november 2015).
Volgens de parlementaire voorbereidingen bij de Wet diverse bepalingen waren er in 2024 in totaal 177.952 niet-gepensioneerden met een flexi-job. Deze groep genereerde samen een bijkomend inkomen dat neerkomt op een toename van 454 miljoen euro aan koopkracht (Parl. St. Kamer 2024-2025, nr. 56-096/001, p. 7).
In het licht van de toenemende vraag naar flexibiliteit op de arbeidsmarkt, wordt de belastingvrijstelling voor niet-gepensioneerden vanaf inkomstenjaar 2025 verhoogd tot 18.000 euro. Bovendien zal dit bedrag voortaan jaarlijks geïndexeerd worden. Het huidige forfait van 12.000 euro wordt daartoe vervangen door een nieuw, indexeerbaar basisbedrag van 8.955 euro. Deze verhoging van het belastingvrije plafond geldt voor inkomsten die in 2025 worden verworven, ongeacht of dat jaar aanleiding geeft tot een gewone aanslag (aanslagjaar 2026) dan wel tot een bijzondere aanslag (bijzonder aanslagjaar 2025, bijvoorbeeld wanneer de belastingplichtige vóór 31 december 2025 ophoudt rijksinwoner te zijn); in voorkomend geval wordt het bedrag evenwel pro rata berekend (art. 129/1 WIB92).
EXPATS
Werkgevers/vennootschappen kunnen – mits voldaan is aan een aantal voorwaarden – belastingvrije vergoedingen toekennen onder de vorm van kosten eigen aan de werkgever/vennootschap aan bepaalde buitenlandse belastingplichtigen die tijdelijk in België komen werken. Deze gunstige regeling beoogt de zware Belgische (para)fiscale druk voor expats te verlichten en zo de instroom van buitenlandse arbeidskrachten te vergemakkelijken.
Het bijzondere fiscale stelsel voor expats kent twee varianten:
- het Bijzonder Belastingstelsel voor Ingekomen Belastingplichtigen (BBIB) (artikel 32/1 WIB92)
- het Bijzonder Belastingstelsel voor Ingekomen Onderzoekers (BBIO) (artikel 32/2 WIB92).
Het BBIB richt zich op werknemers en bedrijfsleiders die rechtstreeks uit het buitenland worden aangeworven of naar België worden gedetacheerd (art. 32/1, §2 WIB92). Voor deze categorie geldt een inkomensdrempel: zij moeten jaarlijks een in België belastbare bruto bezoldiging ontvangen van meer dan 75.000 euro (art. 32/1, §3, lid 1, 2° WIB92).
Het BBIO daarentegen is van toepassing op onderzoekers met een werknemersstatuut, die beschikken over een specifiek diploma of minstens tien jaar relevante beroepservaring (art. 32/2, §2, lid 3, 2° WIB92).
Voor beide stelsels geldt de voorwaarde dat de betrokken persoon gedurende de zestig maanden voorafgaand aan de tewerkstelling in België
– geen Belgisch rijksinwoner is geweest
– niet heeft gewoond binnen een straal van 150 km van de Belgische grens, en
– geen beroepsinkomsten heeft gehad dat in België onderworpen was aan de belasting van niet-inwoners (art. 32/1, §3, lid 1, 1° en art. 32/2, §3, lid 1, 1° WIB92).
Hoewel de toepassingsvoorwaarden tussen beide stelsels verschillen, zijn de fiscale voordelen identiek. In beide gevallen kunnen bepaalde kosten belastingvrij worden vergoed of ten laste worden genomen door de werkgever/vennootschap. Het gaat enerzijds om terugkerende kosten die rechtstreeks voortvloeien uit de tewerkstelling in België en die forfaitair kunnen worden vergoed (art. 32/1, §5 en art. 32/2, §5 WIB92), en anderzijds om verhuis- en inrichtingskosten en het schoolgeld van de kinderen (art. 32/1, §6 en art. 32/2, §6 WIB92).
De belastingvrije vergoeding voor terugkerende kosten was tot op heden beperkt tot 30% van de bruto jaarbezoldiging, met een absoluut plafond van 90.000 euro per jaar (art. 32/1, §5, lid 1 en 2; art. 32/2, §5, lid 1 en 3 WIB92).
Met het oog op het versterken van de Belgische concurrentiepositie op de internationale arbeidsmarkt, wordt het expatregime met ingang van inkomstenjaar 2025 (voor bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 1 januari 2025) op drie belangrijke punten versoepeld (Parl. St. Kamer 2024-2025, nr. 56-096/001, p. 6):
- het belastingvrije percentage voor terugkerende kosten wordt verhoogd van 30% naar 35% van de bruto jaarbezoldiging
- het jaarlijkse plafond van 90.000 euro voor terugkerende uitgaven wordt afgeschaft en
- de vereiste minimale bruto jaarbezoldiging voor BBIB-werknemers en bedrijfsleiders wordt verlaagd van 75.000 euro naar 70.000 euro.
🖋️ Over de auteur
Anne Mieke Vandekerkhove is doctoraatsonderzoeker bij het instituut fiscaal recht van de KU Leuven, en gastdocent aan de Fiscale Hogeschool. Zij combineert haar academische insteek met de praktijkervaring die zij eerder opbouwde in de financiële sector en bij een big 4-kantoor.
Meer artikels als deze?