Op 31 januari 2025 stelde de nieuwe federale regering een ambitieus regeerakkoord voor, met de aankondiging van een omvangrijke fiscale hervorming, al snel de Arizona-hervorming genoemd. Dat akkoord legde een duidelijke richting vast: de fiscaliteit vereenvoudigen, de lasten op arbeid verlichten, de belasting op kapitaal moderniseren en de strijd tegen fraude versterken, met een stevige belofte, vrijwel alle maatregelen zouden vanaf 2026 in werking treden.
Dat politieke engagement diende als leidraad voor de wetteksten die tussen juli 2025 en juli 2026 werden aangenomen. Verschillende maatregelen werden snel in wetgeving omgezet (belasting op meerwaarden, afschaffing van de federale interestaftrek, optrekking van de tarieven VVPRbis en liquidatiereserve), terwijl andere werden aangepast, gefaseerd of verhoogd in de loop van de begrotingsbesprekingen.
De bedoeling van dit overzicht is eenvoudig: uw dossiers actueel houden en uw cliënten informeren over wat vandaag effectief geldt, en niet over de oorspronkelijke aankondigingen.
Van akkoord naar wet: de weg die is afgelegd
Tussen het regeerakkoord van 31 januari 2025 en vandaag is er heel wat wetgevend werk verzet. De maatregelen werden niet in één beweging ingevoerd, maar gespreid over verschillende wetten. Voor een goed begrip van wat vandaag geldt, is het nuttig die volgorde in het achterhoofd te houden:
| Wetgevend traject | De belangrijkste ijkpunten |
|---|---|
| Programmawet van 18 juli 2025 (BS 29 juli 2025) | Aanpassingen aan de liquidatiereserve en het VVPRbis-regime, verstrenging van de DBI-aftrek en een nieuw regime voor DBI-beveks. |
| Wet houdende diverse bepalingen van 18 december 2025 (BS 30 december 2025) | Afschaffing van de federale interestaftrek voor leningen voor een ander onroerend goed dan de eigen woning, einde van de federale woonfiscaliteit (federale voordelen afgeschaft, exclusief gewestelijke bevoegdheid), bevriezing van diverse fiscale uitgaven. |
| Wetsontwerp tot hervorming van de personenbelasting, ingediend op 17 december 2025 en gestemd als de wet van 15 juli 2026 (BS 29 juli 2026) | Verhoging van de belastingvrije som, geleidelijke afbouw van het huwelijksquotiënt, hervorming van de vermindering voor werkloosheidsuitkeringen, ondernemersaftrek en hervorming van de voorafbetalingen. |
| Wet van 6 april 2026 tot invoering van de belasting op meerwaarden (BS 21 april 2026) | De nieuwe belasting op meerwaarden op financiële activa, retroactief vanaf 1 januari 2026. |
| Programmawet van 30 mei 2026 (BS 1 juni 2026) | Optrekking van het VVPRbis-tarief en het tarief van de liquidatiereserve naar 18 %. |
Belangrijk: de belofte dat alle maatregelen "vanaf 2026" in werking zouden treden, klopt in grote lijnen, maar de realiteit is genuanceerder. Sommige maatregelen werden vervroegd, andere uitgesteld, en enkele nog verzwaard nadat ze al waren aangekondigd.
Effectief in werking: wat al vaststaat
De meerwaardebelasting: toegepast, retroactief en al operationeel
De wet van 6 april 2026 werd op 21 april 2026 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en is retroactief van toepassing vanaf 1 januari 2026. De vroegere benaming "solidariteitsbijdrage" heeft plaatsgemaakt voor wat nu gewoon de meerwaardebelasting heet.
Standaardtarief: 10 % op gerealiseerde meerwaarden op financiële activa (aandelen, obligaties, fondsen, tak 21 en tak 23, crypto-activa).
Wie: natuurlijke personen en bepaalde rechtspersonen. Vennootschappen vallen er niet onder.
Jaarlijkse vrijstelling: 10.000 EUR per persoon (te indexeren), enkel na uitdrukkelijke vermelding in de aangifte.
Historische meerwaarden: vrijgesteld dankzij het "fotomoment" van 31 december 2025, genomen als ijkwaarde.
Aanmerkelijk belang (≥ 20 %): afzonderlijke, progressieve tarieven met een vrijstelling tot 1 miljoen EUR.
Voor uw dossiers telt vooral het overgangsregime. Voor meerwaarden gerealiseerd tussen 1 januari en 31 mei 2026 konden de banken nog geen roerende voorheffing inhouden: die meerwaarden moeten in principe geregulariseerd worden via de aangifte, tenzij de belastingplichtige uiterlijk op 31 augustus 2026 koos voor een vrijwillige inhouding (opt-in). Sinds 1 juni 2026 is de inhouding aan de bron door de bank de standaardregeling geworden, met mogelijkheid tot opt-out. Cliënten die in 2026 effecten hebben verkocht, doen er goed aan de gemaakte keuze en de effectief toegepaste inhouding na te kijken.
De federale interestaftrek is definitief geschrapt
Deze maatregel werd ingevoerd door de wet houdende diverse bepalingen van 18 december 2025 (BS 30 december 2025) en is van toepassing vanaf aanslagjaar 2026, dus al voor de interesten betaald in 2025. Interesten op leningen voor een ander onroerend goed dan de eigen woning zijn niet langer aftrekbaar.
De schrapping geldt niet alleen voor nieuwe leningen, maar ook voor lopende leningen. Er is geen overgangsregeling voorzien. De aftrek verdwijnt zelfs volledig uit de aangifte personenbelasting. Voor verhuurders met een lopend krediet is dit een rechtstreekse verzwaring van de belastbare basis.
De belastingvrije som stijgt, in kleine stappen
Deze verhoging werd vastgelegd door de wet van 15 juli 2026 tot hervorming van de personenbelasting (BS 29 juli 2026); het wetsontwerp was ingediend op 17 december 2025. Het streefbedrag van 15.600 EUR is bevestigd, maar de einddatum is verschoven naar aanslagjaar 2030 (in plaats van 2029 oorspronkelijk).
| Aanslagjaar | Belastingvrije som | Status |
|---|---|---|
| AJ 2026 (ink. 2025) | 10.910 EUR | Ongewijzigd |
| AJ 2027 (ink. 2026) | 11.550 EUR | Eerste stap (van kracht) |
| AJ 2028–2029 (ink. 2027 en 2028) | Jaarlijkse toename | Gefaseerd |
| AJ 2030 (ink. 2029) | 15.600 EUR (streefdoel) | Op kruissnelheid |
De eerste stap in 2026 blijft dus bescheiden (+ 640 EUR). Voor gepensioneerden en personen met een vervangingsinkomen wordt dit voordeel geneutraliseerd via aangepaste belastingverminderingen. Voor actieve belastingplichtigen kan de geleidelijke verhoging van de belastingvrije som de fiscale druk op arbeidsinkomen licht verlagen, maar het effect blijft gespreid tot 2030.
Bijgestuurd tijdens de rit: VVPRbis en liquidatiereserve naar 18 %
Dit is het duidelijkste voorbeeld van een maatregel die na de aankondiging is verzwaard. De eerste teksten spraken van een effectief tarief van 15 %. Het begrotingsakkoord van 24 november 2025 trok dat op naar 18 %, bekrachtigd door de programmawet van 30 mei 2026 (BS 1 juni 2026).
| Regime | Wat was beloofd | Wat geldt vandaag |
|---|---|---|
| VVPRbis | 15 % RV | 18 % RV vanaf 1 juli 2026 |
| Liquidatiereserve (nieuw) | 6,5 % RV (eff. 15 %) | 9,8 % RV (eff. 18 %) |
| Liquidatiereserve (t.e.m. 30.12.2025) | 5 % of 6,5 % RV | Blijft 5 % of 6,5 % RV |
De verhoging naar 18 % geldt voor VVPRbis-dividenden die worden toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 juli 2026 (ook als de uitkeringsbeslissing eerder werd genomen), en voor liquidatiereserves aangelegd in boekjaren die afsluiten vanaf 31 december 2025. Voor vennootschappen met een boekjaar gelijk aan het kalenderjaar valt de aanleg over boekjaar 2025 dus al onder het nieuwe tarief. Er werden ook twee antimisbruikbepalingen ingevoerd.
De DBI-aftrek: verstrengd, maar niet omgevormd tot vrijstelling
Het regeerakkoord kondigde een omvorming naar een volledige vrijstelling aan. Die is er (nog) niet gekomen. Wat wél werd ingevoerd door de programmawet van 18 juli 2025, vanaf aanslagjaar 2026: voor deelnemingen van minder dan 10 % (maar met een aanschaffingswaarde van minstens 2,5 miljoen EUR) aangehouden door grote vennootschappen, moet de deelneming de aard van een "financieel vast actief" hebben; de optrekking van de drempel naar 4 miljoen EUR werd niet weerhouden. Voor DBI-beveks is de verrekening van de roerende voorheffing voortaan afhankelijk van een minimale bedrijfsleidersbezoldiging, met daarbovenop een afzonderlijke heffing van 5 % bij uitstap.
Gestemd, maar gefaseerd: wat nog volgt
| Maatregel | Stand van zaken |
|---|---|
| Ondernemersaftrek | Wet van 15 juli 2026; van kracht vanaf inkomstenjaar 2027 (10 %, max. 650 EUR → 900 EUR in 2029) |
| Geleidelijke afbouw huwelijksquotiënt | Wet van 15 juli 2026; gefaseerd vanaf 2026, maximumbedrag gehalveerd tegen 2029; voor gepensioneerde koppels uitdoving over ongeveer 20 jaar |
| Vermindering voor werkloosheidsuitkeringen | Wet van 15 juli 2026; vermindering vanaf 2026, afgeschaft vanaf 2029 |
| Minimumbezoldiging bedrijfsleider van 50.000 EUR | Wet van 15 juli 2026; vanaf AJ 2027 (geïndexeerd bedrag: 51.000 EUR) |
| Btw-verhoging horeca/ontspanning | Uit het begrotingsakkoord van 24 november 2025; gemeubeld logies en camping van 6 % naar 12 % sinds 1 maart 2026, met overgangsregeling voor reservaties uiterlijk 28 februari 2026 (btw opeisbaar tot en met 30 juni 2026) |
Zelfstandigen: wat is al effectief?
Het maximale bijdragepercentage voor de klassieke VAPZ stijgt van 8,17 % naar 8,5 % (sociale VAPZ: van 9,4 % naar 9,78 %); zelfstandigen in bijberoep krijgen er voortaan ook toegang toe. De vermeerdering bij onvoldoende voorafbetalingen wordt afgeschaft, voor zelfstandigen met winsten en baten (en meewerkende echtgenoten), vanaf inkomstenjaar 2026; ze blijft van toepassing voor bedrijfsleiders. Vanaf aanslagjaar 2027 komt er een vijfde voorafbetalingsperiode (21 december tot 20 februari), met bonificatie. Het vermeerderingspercentage in de personenbelasting daalt naar 4,5 % (aanslagjaar 2027).
Meerwaardebelasting:
- Ga na welke keuze (opt-in/opt-out) de bank toepaste tijdens de overgangsperiode 2026.
- Bewaar de waardering per 31 december 2025 (referentiefoto), zeker voor niet-genoteerde aandelen.
- Blijf alert voor de kwalificatie "abnormaal beheer van het privévermogen" (33 %).
VVPRbis en liquidatiereserves:
- Breng de aanlegdatum in kaart: de cut-off van 30 december 2025 bepaalt het toepasselijke tarief.
- Herbekijk geplande dividenduitkeringen in het licht van de verhoging vanaf 1 juli 2026.
Vastgoeddossiers:
- De interestaftrek voor een ander onroerend goed dan de eigen woning is verdwenen, zonder overgangsregeling. Signaleer dit aan cliënten met een lopend krediet.
Vennootschappen met deelnemingen:
- Audit de deelnemingen van minder dan 10 %: voldoen ze aan de voorwaarde van "financieel vast actief"?
- Controleer bij DBI-beveks of de minimale bedrijfsleidersbezoldiging wordt nageleefd.
Tot slot: van aankondiging naar realiteit
De Arizona-hervorming is geen abstract vooruitzicht meer, maar grotendeels geldend recht. De grote lijnen zijn bevestigd, maar het detail toont een genuanceerder beeld: de belasting op meerwaarden op financiële activa is effectief in werking getreden, de interestaftrek voor een ander onroerend goed dan de eigen woning is zonder pardon geschrapt, en enkele tarieven (liquidatiereserve en VVPRbis) zijn zelfs hoger uitgevallen dan aangekondigd. Andere beloftes, zoals de omvorming van de DBI-aftrek naar een vrijstelling, zijn er (nog) niet gekomen.
| Belofte | Realiteit 2026 |
|---|---|
| Belasting op meerwaarden op financiële activa | In werking, retroactief |
| VVPRbis aan 15 % | Uiteindelijk 18 % |
| Liquidatiereserve aan 6,5 % | Uiteindelijk 9,8 % |
| DBI-aftrek → vrijstelling | Nog niet gerealiseerd |
| Belastingvrije som naar 15.600 EUR | Bevestigd maar uitgesteld |
| Interestaftrek voor een ander onroerend goed dan de eigen woning | Afgeschaft zonder overgang |
Voor u als accountant en belastingadviseur betekent dit vooral: de dossiers actueel houden en cliënten tijdig informeren over wat vandaag effectief geldt, en niet over wat ooit werd beloofd. ITAA volgt de verdere ontwikkelingen op de voet en houdt u via haar kanalen en opleidingen op de hoogte.