Het is een goed moment om even een stapje terug te zetten en te kijken naar hoe meerwaarden op aandelen in het algemeen fiscaal behandeld worden in de personenbelasting, en hoe dit zich verhoudt tot de situatie vanaf 2026. Meerwaarden op aandelen kunnen onder drie mogelijke taxatieregimes vallen: • normaal beheer van privévermogen (vrijgesteld of getaxeerd onder de nieuwe meerwaardebelasting), • abnormaal beheer (belast aan 33% vermeerderd met gemeentebelastingen) of • beroepsmatig (belast aan de progressieve tarieven vermeerderd met gemeentebelastingen).
Noteer dat deze driedeling nog steeds relevant blijft, ondanks de invoering van de meerwaardebelasting vanaf 1 januari 2026. Immers, de meerwaardebelasting beoogt de taxatie van meerwaarden die gerealiseerd worden binnen het normaal beheer van het privévermogen. De overige twee mogelijkheden van taxatie van meerwaarden op aandelen blijven onverminderd voortbestaan. Ook naar de toekomst toe zal er dus moeten worden bepaald binnen welke categorie de meerwaarde valt.
Normaal beheer van het privévermogen
Als de bonus pater familias zijn spaarcenten belegt in aandelen op de beurs en na verloop van tijd deze aandelen verkoopt met een meerwaarde, dan is deze meerwaarde te beschouwen als normaal beheer van het privévermogen. Als belegger handelt hij als een ‘goede huisvader’, zijnde met het oog op het behoud of het aangroeien van zijn privévermogen, zonder speculatieve intenties.
Ook de meerwaarde die een ondernemer realiseert bij de verkoop van zijn onderneming aan een derde partij na jaren hard werken, kwalificeert principieel als normaal beheer van het privévermogen. Evenwel dient hij op te letten voor de eventuele aanwezigheid van excess cash in zijn vennootschap of de eventuele kwalificatie van de vennootschap als passieve holding. Maar dat betreft een andere problematiek die buiten het bestek van dit artikel valt.
Binnen de categorie van het normaal beheer van het privévermogen brengt de wetgever weldra verandering: dergelijke meerwaarden zullen voortaan principieel belastbaar worden, hetgeen voorheen niet het geval was. Ook een principiële aangifteplicht zal gelden, wat tot eind 2025 ook niet vereist was. Een fiscale aardverschuiving van formaat dus.
Abnormaal beheer van het privévermogen
Abnormaal beheer?
De eerste vraag die zich hierbij opdringt is: “Wanneer is er sprake van een abnormaal beheer van een privévermogen?”
In de praktijk blijkt dat dit een feitenkwestie is en vaak tot interpretatieproblemen leidt. Discussies met de fiscale administratie en de rechterlijke macht zijn jammer genoeg schering en inslag.
Nochtans ziet het Grondwettelijk Hof geen graten in dat criterium (arrest nr. 31/2022). Het Hof van Cassatie had aan het Grondwettelijk Hof gevraagd of het begrip “normale verrichtingen van beheer van een privévermogen” een schending inhoudt van het fiscale wettigheids- en gelijkheidsbeginsel. Maar het Grondwettelijk Hof was stellig: de beoordelingsbevoegdheid die de wetgever verleent aan de fiscale administratie en de rechter bij de invulling van het begrip “normale verrichtingen van een privévermogen” aan de hand van het criterium “voorzichtig en redelijk persoon” is voldoende nauwkeurig en voorspelbaar. Daarenboven heeft de wetgever voldoende waarborgen voorzien om de belastingplichtige te beschermen tegen willekeur, aldus het Hof. Het verwijst hiermee o.a. naar het systeem van voorafgaande beslissingen (rulings), de publicatie van deze beslissingen waardoor de voorspelbaarheid van dergelijke verrichtingen wordt verhoogd en de verplichting voor de administratie om de beginselen van behoorlijk bestuur te eerbiedigen. Toch blijven de discussies veelvuldig …
Men is aldus aangewezen op precedenten uit de fiscale praktijk om uit te maken of een verrichting al dan niet abnormaal is. Hierbij kunnen elementen zoals o.a. de financieringswijze van de belegging (met eigen middelen of – gedeeltelijk – met externe middelen), de frequentie van de verrichtingen, het bestaan van een speculatief inzicht, het beschikken over bepaalde kennis, de verhouding van het geïnvesteerde bedrag t.o.v. het totale vermogen, etc. mee in overweging worden genomen. Hoe meer dergelijke elementen aanwezig zijn – en hoe zwaarwichtiger ze zijn – hoe groter de kans dat de meerwaarde fiscaal dient gekwalificeerd te worden als abnormaal.
Toch zijn er ook situaties die voor de fiscus doorgaans passen binnen een abnormaal beheer van het privévermogen. In het bijzonder gaat het over het geval waarbij een natuurlijk persoon aandelen verkoopt aan een door hem of haar opgerichte vennootschap (i.e. de problematiek van de interne meerwaarden). Dit is dan ook de reden waarom de wetgever deze situatie ook wettelijk wil verankeren in het kader van de invoering van de regeling van de meerwaardebelasting (cfr. infra), al wordt die verrichting sinds begin 2026 in eerste instantie geacht een verrichting van normaal beheer te zijn …
Ook inbrengverrichtingen van aandelen in een eigen holding werden vroeger (mogelijk) geviseerd. Dit was een handige techniek om na de inbreng, en aldus de creatie van gestort kapitaal, opgepotte reserves belastingvrij te laten opstromen naar de natuurlijke persoon middels een belastingvrije dividenduitkering aan de nieuwe holding, gevolgd door een belastingvrije kapitaalvermindering.
Maar sinds 1 januari 2017 leidt dergelijke inbreng niet meer tot de (volledige) creatie van gestort kapitaal. Sindsdien wordt het gestorte kapitaal geacht slechts overeen te komen met de aanschaffingswaarde van die aandelen in hoofde van de inbrenger. Het saldo wordt gekwalificeerd als belaste reserves (waarop roerende voorheffing verschuldigd is bij uitkering). Daarenboven wordt er ook geen step-up meer aanvaard in hoofde van de inbrenger.
Basis voor belasting meerwaarde?
De belastbare basis van de meerwaarde binnen de categorie van het abnormaal beheer (doch buiten een beroepswerkzaamheid om) is het nettobedrag van de meerwaarde (i.e. na aftrek van de kosten die gemaakt werden in het kader van de verkoop).
Noteer dat ook dit jarenlang voer was voor discussie. De reden hiervoor was dat de wet van 11 december 2008 dergelijke meerwaarden uit artikel 90, 1ste alinea, 1° WIB92 had gehaald en ondergebracht onder art. 90, 1ste alinea, 9° WIB92 zonder evenwel (opnieuw) te bepalen dat de kosten, gemaakt tijdens het belastbare tijdperk om die meerwaarden te realiseren, in aftrek mogen worden genomen. Art. 97 WIB92 bepaalt dit immers wél uitdrukkelijk voor de meerwaarden gerealiseerd in het kader van art. 90, 1ste alinea, 1° WIB92.
Sinds eind 2023 (zie arrest 124/2023 van 21 september 2023 van het Grondwettelijk Hof) is dit euvel verholpen en is het duidelijk dat de belasting wordt geheven op het ‘nettobedrag’. Een aanpassing van het WIB92 in die zin heeft evenwel (nog) niet plaatsgevonden.
Verder mag ook niet uit het oog verloren worden dat wanneer een belastingplichtige de aandelen heeft ontvangen ingevolge een schenking of erfenis, hij rekening moet houden met de aanschaffingswaarde waartegen zijn voorganger deze heeft verkregen om de correcte meerwaarde te berekenen.
Noteer tot slot dat, in tegenstelling tot (vrijgestelde) meerwaarden die kaderen binnen het normaal beheer van het privévermogen, hier altijd al een aangifteplicht heeft bestaan. De netto meerwaarde moet worden opgenomen in de code (1)(2)169‑92.
Ook in andere vennootschappen geldt dat aandeelhouders die aanwezig zijn, in principe geacht worden correct te zijn opgeroepen, aangezien hun aanwezigheid impliceert dat zij voldoende werden geïnformeerd over de datum en locatie van de vergadering. Om latere bewijsproblemen of discussies te vermijden, is het hoe dan ook aangewezen om in de notulen te vermelden dat alle aanwezigen verklaren regelmatig te zijn opgeroepen.
Aandelenoverdracht aan buitenlandse vennootschappen: extra aandacht vereist
Als een belastingplichtige aandelen bezit in een Belgische vennootschap en overweegt deze te verkopen aan een onderneming gevestigd buiten de Europese Economische Ruimte (EER), zijn er enkele belangrijke regels om rekening mee te houden.
Indien de belastingplichtige, of iemand van wie de belastingplichtige de aandelen heeft verkregen zonder betaling (bijvoorbeeld ingevolge schenking), in de vijf jaar voorafgaand aan de overdracht, alleen of samen met zijn partner, kinderen, ouders of broers en zussen, direct of indirect meer dan 25% van de aandelen of stemrechten in de Belgische vennootschap heeft aangehouden, zijn de gerealiseerde meerwaarden eveneens belastbaar als divers inkomen. Het tarief bedraagt evenwel 16,5% (te vermeerderen met gemeentebelasting).
Ook voor dergelijke meerwaarden voorziet de wetgever in een aparte code in de aangifte personenbelasting om deze aan te geven (zie code (1)(2)174‑87).
Noteer dat er bij de invoering van de meerwaardebelasting ook aan de regeling inzake de verkoop van een aanmerkelijk belang aan een niet‑EER‑entiteit zou gesleuteld worden (cfr. infra).
Beroepsinkomsten
Indien de meerwaarden op aandelen worden gerealiseerd in het kader of het verlengde van de beroepsactiviteit van de belastingplichtige, worden deze meerwaarden beschouwd als beroepsinkomsten en als zodanig belast. Dit betekent dat deze meerwaarden onderworpen zijn aan de progressieve tarieven van de personenbelasting (vermeerderd met gemeentebelasting) met verschuldigdheid van sociale zekerheidsbijdragen.
Volgens de administratie kan er pas sprake zijn van een beroepswerkzaamheid als het om een geheel van verrichtingen gaat die voldoende talrijk en onderling verbonden zijn om een gewone en voortgezette bezigheid uit te maken en die, vallend buiten de grenzen van het normale beheer van een privévermogen, een beroepskarakter hebben. Centraal staat aldus de aard en bij uitstek de intensiteit van de beoefening.
Zoals het geval is bij de discussie rond de kwalificatie als normaal dan wel abnormaal beheer, is de vraag of de gerealiseerde meerwaarde een beroepsinkomen vormt, ook een feitenkwestie. Voor vuistregels moeten we kijken naar de rechtspraak. Deze heeft criteria ontwikkeld die een indicatie kunnen geven van het al dan niet bestaan van een beroepsactiviteit.
Merk op dat geen enkel criterium op zichzelf volstaat om te besluiten tot het bestaan van een beroepsactiviteit.
Enkele van deze criteria zijn de volgende:
• Frequentie en regelmaat van de transacties (bv. wat in geval van day trading?);
• De korte tijdspanne tussen de betrokken verrichtingen;
• Organisatie en vereiste infrastructuur/ingezette middelen (o.a. gebruik van gespecialiseerde (trading) computerprogramma’s);
• Financieringswijze (bv. met beleend geld);
• Samenwerking tussen meerdere personen;
• Verband tussen de beroepsactiviteit (nauw verband of in het verlengde van);
• De aard en belangrijkheid van de verrichte activiteit.
• Enz.
Wordt de verhandeling van aandelen beschouwd als een beroepsactiviteit, dan laat de fiscale wet toe om de kosten die verbonden zijn met deze transacties in aftrek te nemen (i.e. als beroepskosten). Minderwaarden op aandelen (alsook waardeverminderingen) zijn daarentegen fiscaal niet aftrekbaar.
De aangifte personenbelasting voorziet in afzonderlijke codes om deze meerwaarden en kosten op te nemen (zie codes (1)(2)606‑49 en (1)(2)620‑29).
Nieuwe meerwaardebelasting vanaf 2026
Zoals hierboven reeds vermeld, bereikte de federale regering een akkoord om vanaf 1 januari 2026 een algemene meerwaardebelasting in te voeren op de realisatie van financiële activa. De regeling beoogt de taxatie van meerwaarden op o.a. aandelen, ETF’s, aandelenopties en crypto‑activa, voor zover de verrichtingen passen binnen het normaal beheer van privévermogen.
De regeling van de meerwaardebelasting is ondertussen door het parlement goedgekeurd en in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. In dit artikel gaan we er niet in detail op in maar het past wel om de contouren van de nieuwe meerwaardebelasting kort te schetsen, aangezien deze retroactief in werking zal treden vanaf 1 januari 2026.
1. Algemeen stelsel
In het geval een persoon minder dan 20% van de aandelen van de onderliggende vennootschap aanhoudt, geldt het algemeen stelsel. De meerwaarde wordt belast aan 10%. De belasting wordt in principe ingehouden door de bank (als roerende voorheffing), maar het ontwerp van wet voorziet in een mogelijkheid om de bank te verzoeken af te zien van deze inhouding (de zgn. opt‑out mogelijkheid).
Er geldt een voetvrijstelling van 10.000 euro (te indexeren) waarvan de eerste 1.000 euro (te indexeren) onbenutte vrijstelling kan worden overgedragen naar een volgend belastbaar tijdperk (vijf jaar lang). Historische meerwaarden zijn vrijgesteld (ijkingsmoment = 31 december 2025).
De vrijstelling moet geclaimd worden via de aangifte personenbelasting. Eventuele minderwaarden binnen deze categorie kunnen wél in aftrek worden genomen.
Ook voor meerwaarden gerealiseerd vanaf 1 januari 2026 tot en met 31 mei 2026 bestaat er een mogelijkheid om de financiële instelling een bedrag equivalent aan de roerende voorheffing te laten doorstorten. Desgevallend dienen de meerwaarden niet aangegeven te worden in de aangifte personenbelasting m.b.t. aanslagjaar 2027, tenzij men gebruik wil maken van de voetvrijstelling van 10.000 euro (te indexeren).
Wat betreft deze eerste categorie moet de volgende timing in gedachten worden gehouden (op basis van de laatste versie van het wetsontwerp):
• 1 juni 2026: aanvang verplichting voor financiële instellingen tot inhouding van roerende voorheffing.
• 31 augustus 2026: uiterlijke datum om financiële instellingen te laten weten om ‘bedrag equivalent aan de roerende voorheffing’ door te storten.
• 31 augustus 2026: uiterlijke datum opt‑out (voor meerwaarden vanaf 1 juni 2026).
• 30 november 2026: uiterlijke datum voor financiële instellingen om bedrag equivalent aan de roerende voorheffing door te storten alsook voor doorstorting roerende voorheffing die werd ingehouden tussen 1 juni 2026 en 31 augustus 2026.
2. Aanmerkelijk belang‑regeling
Van zodra een persoon een participatie heeft van minstens 20%, geldt de aanmerkelijk belang‑regeling. Voor dit regime geldt een voetvrijstelling van 1.000.000 euro gedurende vijf jaar.
Boven 1.000.000 euro geldt een opklimmend belastingtarief:
• 1 – 2,5 m euro 1,25%
• 2,5 – 5 m euro ,50%
• 5 – 10 m euro ‑%
• > 10 m euro 10%.
Daarenboven geldt er een rapporteringsplicht voor tussenpersonen (gelijkaardig aan degene van toepassing binnen de DAC 6‑reglementering), betrokken bij verrichtingen binnen de aanmerkelijk belang‑regeling. Dezelfde regel inzake vrijstelling van historische meerwaarden geldt hier ook.
3. Interne meerwaarden
Deze regeling zal principieel van toepassing zijn bij verkoop door een belastingplichtige aan een vennootschap waarop de belastingplichtige alleen of samen met zijn naaste familieleden (echtgenoot, afstammelingen, ascendenten en zijverwanten tot en met de tweede graad en die van zijn echtgenoot) rechtstreeks of onrechtstreeks controle uitoefent. De taxatie bedraagt 33%. Ook hier geldt dezelfde rapporteringsplicht voor tussenpersonen als bij de aanmerkelijk belang‑regeling en dezelfde vrijstelling van historische meerwaarden.
Noteer dat er ook aan de regeling inzake de verkoop van een aanmerkelijk belang aan een niet‑EER‑entiteit zou gesleuteld worden. Zo zou bij deze regeling de participatiedrempel gebracht worden op 20% (i.p.v. oorspronkelijk 25%) en ook de voetvrijstelling van 1.000.000 euro zou worden ingevoerd. Daarentegen zou het tarief van 16,5% behouden blijven en er zou niet gewerkt worden met een opklimmend tarief. Waardoor deze regeling duidelijk ongunstiger is dan de algemene aanmerkelijk belang‑regeling (cfr. supra), tenzij het kortelings na invoering van de wetgeving plaatsvindt.
Besluit
Een goede beoordeling van de feitelijke situatie is en blijft cruciaal om het juiste taxatieregime van gerealiseerde meerwaarden op aandelen te kunnen bepalen. Zelfs met de geplande invoering van de ‘meerwaardebelasting’ binnen de categorie van het normaal beheer van het privévermogen, mag verwacht worden dat de discussies zullen blijven of zelfs zullen toenemen.
In ieder geval zal de nieuwe regeling leiden tot meer visibiliteit (gelet op o.a. de formaliteiten te vervullen in de aangifte personenbelasting, de rol van de banken, de rapporteringsplicht van tussenpersonen, enz.) en een hoger risico op herkwalificatie van de inkomsten.
🖋️ Over de auteurs
Koen Martens is fiscalist bij all‑round ondernemingsadviseur VGD. Vanuit een expertise in vennootschapsbelasting en herstructureringen ondersteunt hij, samen met zijn team, ondernemers bij al hun fiscale uitdagingen.
Valesca Delattin is fiscalist bij all‑round ondernemingsadviseur VGD. Met een sterke basis in vennootschapsbelasting en een focus op internationale fiscaliteit ondersteunt ze, samen met haar team, ondernemers bij al hun fiscale uitdagingen.
Meer artikels als deze?